Gisteravond liep ik even binnen bij de inloopbijeenkomst van het SodM (Staatstoezicht op de Mijnen) in Loppersum. Eerst passeerde ik het standje van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, dat heb ik links laten liggen. Twee medewerkers van het SodM stonden voor mij klaar, we begonnen met een lekker kopje thee. Als opwarmertje vroeg ik: “Dit is de vierde bijeenkomst die jullie organiseren, wat is tot nu toe de meest gestelde vraag”?
‘Wat moet ik vragen?’, was het antwoord. Ik viel even stil, want hier had ik zelf ook mee geworsteld. In de brei van cijfers, jaartallen, risicoberekeningen, aantallen te versterken huizen en mogelijke doden na een zware aardbeving, raak je het spoor volkomen bijster. En dan roept bovendien de Mijnraad weer wat anders dan het SodM en neemt Wiebes vervolgens een concept-gasbesluit waaruit blijkt dat hij naar niemand luistert. Er zijn om mindere redenen mensen uit hun dak gegaan.
Daar had ik effe niet zo’n zin in, want mijn dak is al niet meer zo stevig. Daarom had ik toch een vraag bedacht, niet over cijfers en prognoses maar over onze veiligheid. “Zijn we in Groningen eigenlijk wel veilig nu Wiebes niet luistert naar het advies van het SodM?” Het antwoord laat zich raden. Misschien had ik toch beter geen vraag kunnen stellen.

Samen met Hans Alders, die zich al jaren uit de naad werkt voor Groningen, ben ik aan de slag gegaan. Ik sta de Tweede Kamer te woord als ze me weer eens op het matje roepen, overleg achter gesloten deuren met Shell en ExxonMobil, fitness met Mark, en kom graag op bezoek bij die Groningers in hun kapotte huizen.
Ik denk wel eens, ben ik niet te lief, te beleefd, te netjes, te diplomatiek? Misschien wel, maar in je eentje met je vuist op tafel slaan, heeft niet veel effect. Daarvoor moet je met meer zijn, veel meer. Wat let ons, bestuurders en bewoners, om het mes dwars in de bek te hebben, we hebben toch niets meer te verliezen? En we zijn het wachten toch meer dan zat? Ze kunnen daar in Den Haag allemaal de klere krijge, toch?