Een jaar geleden schreef ik over de Proatbus, een busje met een geestelijk verzorger aan boord. Een aardbevingsgedupeerde kon onder het genot van een plakje koek en tissues zijn stress van zich af komen praten. Het heeft blijkbaar niet geholpen, begrijp ik nu de GGD-Groningen trainingen gaat geven aan 500 werknemers van woningcooperaties, gemeenten en zorginstellingen om stressgerelateerde klachten te leren herkennen. Niet bij zichzelf, maar bij gedupeerden. Kosten 2,7 miljoen euro.
Met mijn aardbevingsstress ging het best wel goed, tot ik dit bericht las. Ik moet binnenkort mijn paspoort verlengen. Bij het idee dat die aardige mevrouw achter de balie me dan bezorgd aankijkt en vraagt: “U ziet zo bleek, heeft u last van aardbevingsstress”? slaat mijn hart al op hol. Stelt ze dan ook nog de vraag: “Staat u open voor professionele hulp”? dan trek ik haar over de balie.
Misschien moet de GGD-Groningen toch nog even nadenken over de risico’s van deze training voor de 500 werknemers. Het zou wel eens stressverhogend voor ze kunnen zijn.

En toch zit ik nu weer te schrijven, heeft in mij zich iets geroerd. De woorden zijn uit hun schuilplaats te voorschijn gekomen, er moet weer wat gezegd worden. Over hoe ik mijn best doe òm de aardbevingen heen te leven, over hoe ik probeer mezelf met leuke dingen af te leiden van de Groningse realiteit. Over hoe die realiteit zich gewoon aan blijft dienen als, ja inderdaad, een fact of life.
En toen begon het wachten: maandag, dinsdag, woensdag… nog steeds niets van haar gehoord. Ik weet inmiddels dat een journalist altijd haast heeft en dat als je niet heel snel reageert je kans voorbij is. Maar ik vind dat een journalist van het Dagblad van het Noorden zou moeten weten dat de ontwikkelingen in het gasdossier zich met de traagheid van een hoogbejaarde slak voortbewegen. Niet met het blote oog te zien. En dat een gesprek op woensdag daarom nog net zo actueel is als op maandag.